Homepage >
Nl >
SLP-Diensten >
Multidisciplinaire-Revalidatie >
StotterenStotteren is een stoornis in het vloeiend spreken. Terwijl onvloeiendheden eigen zijn aan de
natuurlijke spraak, komen er bij stotteren duidelijk meer onvloeiendheden voor. Ze hebben
daarenboven een abnormaal karakter.
Meestal ontstaat het stotteren reeds op kleuterleeftijd. Een aantal factoren kunnen stotteren uitlokken zoals verhoging van de communicatiedruk of een emotionele gebeurtenis. Een aantal factoren zijn verantwoordelijk voor het in stand houden van het stotteren zoals de pogingen die men onderneemt om eraan te ontsnappen, wat men vechtgedrag noemt. Stotteren is een combinatie van een organisch-fysiologische zwakte en aangeleerd gedrag. Drie componenten spelen een rol en beïnvloeden elkaar voortdurend: denken, voelen en spreken. Naarmate de één of andere component meer op de voorgrond treedt, onderscheiden we verschillende types van stotteren, namelijk het motorische type, het emotionele type, het cognitieve type en het linguïstische type.
Het onderzoek gebeurt door een gespecialiseerd multidisciplinair team. Op basis van deze
gegevens wordt een aangepast revalidatieprogramma uitgewerkt, zowel voor kinderen als
voor volwassenen.
Bij stotteren van het motorische type komt er zeer veel uitwendig stottergedrag voor
terwijl er minder sterke negatieve gedachten of spreekangst optreden.
De persoon gaat dus het spreken niet uit de weg.
Wanneer het stotteren gepaard gaat met een grote spreekangst en/of stotterangst en
daarbij sterk situatiegebonden of woord- en klankgebonden is, spreken we van een
emotioneel type.
Wanneer de negatieve gedachten overheersen en de persoon sterk vermijdingsgedrag
vertoont, spreekt men van een cognitief type. De persoon heeft meestal weinig tot zelfs
geen uitwendig stottergedrag maar inwendig is het stotteren ernstig. Hij heeft een negatief
beeld ontwikkeld van zichzelf als spreker en als persoon.
Bij kinderen komt vaak een linguïstische vorm voor. Vaak zijn ze enthousiast om veel te
vertellen en tegelijkertijd moeten ze zoeken naar de juiste woorden en zinsconstructies.
Deze discrepantie lokt het stotteren uit.
Tijdens het intakegesprek start de actieve samenwerking tussen de persoon of het kind en
het gezin en het team. We beogen een grondig zicht te krijgen op de probleembeleving
van het kind of de volwassen en zijn omgeving.
Alle beïnvloedende factoren worden zo goed mogelijk in kaart gebracht, zowel
uitgaande van de persoon zelf als van zijn omgeving. De verschillende kenmerken van
de stottersymptomen worden nauwkeurig nagegaan. Het inwendig en het uitwendig
stottergedrag worden geanalyseerd.
De differentiaaldiagnose, die op deze wijze door het team kan worden gesteld, vormt de basis van het voorbereiden van de inhoud en de organisatie van het revalidatieprogramma.
Bij kinderen wordt gedifferentieerd tussen een indirect of een direct revalidatie-programma.
Wanneer na de diagnostiek wordt gekozen voor een eerder indirecte benadering zal het
begeleiden van de ouders en de directe omgeving (de school) van het kind centraal staan.
De omgeving speelt immers een belangrijke rol bij het verloop van het stotteren. Daarnaast
staat de therapeut model voor vloeiend spreken. Hij werkt ook in op uitlokkende factoren
zodat het kind minder druk ervaart bij het spreken en gestimuleerd wordt naar vloeiend
spreken.
Bij een directe benadering wordt de techniek van vloeiend spreken aangeleerd
en ingeoefend. Deze spreektechniek wordt dan geautomatiseerd zodat toepassing
mogelijk wordt in alle omstandigheden. De therapeut maakt daarbij gebruik van enkele
gedragstherapeutische principes (positieve en negatieve bekrachtigers). Dit is een
leerproces gaande van gemakkelijke tot complexe spreeksituaties. Het kind verwerft
positieve spreekervaringen wat een positief zelfbeeld stimuleert.
Het trainen van de sociale competentie in het algemeen en in het omgaan met het stotteren
vormt een belangrijk deel van het revalidatieprogramma.
In de revalidatie van volwassenen staan verschillende deelaspecten centraal, zoals
het aanleren van een vloeiende spreektechniek, het verwerven van technieken om het
stotteren te controleren, maar ook de integratie ervan in diverse spreeksituaties. Het
toepassen van spreektechnieken zal steeds lukken in de mate dat de persoon “voldoende”
zelfsturingmechanismen heeft leren ontwikkelen.
Dit vereist soms herformulering tot positieve gedachten en gevoelens, afbouw van
vermijdingsgedrag ... De therapeut maakt daarbij gebruik van de directe omgeving van
de persoon die actief kan bijdragen tot een optimale integratie van verworvenheden in het dagelijkse leven.